
Bloemendal in de Bladsmoes
In de Bladsmoes van de zomer van 2022 stond er een mooi artikel over Bloemendal:
Stadsparel Bloemendal
Menig bewoner van Nijmegen zal bij de vraag waar Bloemendal ligt niet meteen denken aan de Staddijk waar het gebied een onderdeel van is. Haar naam is afkomstig van een gemeenteambtenaar die er in het verleden veel aandacht aan heeft besteed en waaraan het waarschijnlijk te danken is dat er nog zulk een biodivers gebied ligt tussen Dukenburg en de immer drukkender wordende A73.

Geologie
De Bodem, die in Bloemendal aanwezig is, is van het type oude rivierkleigronden.
Dit type oude kleibodem is in Nederland heel zelden aan de oppervlakte te vinden. Het heeft een bijzondere ontstaanswijze. Om die te begrijpen, moeten we terug naar het laatste deel van de laatste ijstijd. Gedurende die tijd, het Weichselien (115.000 – 11.700 j BP) stroomden de Rijn en de Maas gezamenlijk door het gebied en vormden een zgn vlechtende rivier met een bedding van wel 11 km breedte, althans tijdens de koudste periode van die ijstijd. Het woest stromende water vormde in die bedding talloze ondiepe geulen die zich steeds verlegden, kenmerkend voor vlechtende rivieren. Zij zetten daar grof zand en grind af. In tegentelling tot de voorlaatste ijstijd (Saalien), bereikte in het Weichselien het landijs Nederland niet. Net als tijdens alle andere ijstijden, zat de koudste periode van het Weichselien in de tweede helft ervan. Tijdens deze fase, het laat pleniglaciaal (29.000 jaar-12.450 jaar geleden) was het zo koud, dat de begroeiing bijna verdween. Er is dan sprake van een poolwoestijn, waarbij geen gesloten vegetatiedek meer aanwezig was, maar alleen nog losse planten die het op luwe plaatsen nog konden uithouden. Zelfs de meest geharde dieren, konden in een dergelijk extreem klimaat niet overleven en waren naar het Zuiden getrokken. Pas in de buurt van de Middellandse Zee stonden de eerste bossen. Het einde van het Pleniglaciaal kenmerkt zich doordat tussen 12.900 – 12.450 jaar geleden een vegetatie begint te vormen van lichtminnende grassen met kruiden als van het geslacht van Alsems (Artemisia) gaan toenemen. Ook zonneroosjes, diverse soorten Zuring (Rumex), Ruit
(Talictrum), Weegbree (Plantago) en Ganzenvoetfamilie (Chenopodiaceae) nemen flink toe en geven aan dat het warmer werd.
Al aan het begin van het Weichselien (115.000-11.700 jaar geleden) lukte het de Rijn ten noorden van Montferland de stuwwal te doorbreken. Een nieuwe stroomgeul loopt vandaar uit naar het zuidoosten om zich ten westen van Nijmegen bij het grote zuidelijke Rijn/Maas dal te voegen. Hierdoor neemt het belang van de Rijn in de zuidelijke bedding wat af. Toen het de Rijn vervolgens in het midden van het Weichselien de stuwwal bij Kleef doorbrak en daar verder uitgroeide, werd het belang van de Rijn ten opzichte van de Maas een stuk minder: de kracht van het vlechtende rivierenstelsel nam daardoor flink af.
Dan gebeurde er nog iets, de opwarming zette door en er ontstond een warme periode binnen de IJstijd het zgn Bölling -Alleröd interstadiaal (14.700-12.900 BP). Het Bölling-Alleröd interstadiaal kenmerkte zich door relatief warme zomers met een juli temperatuur van rond 15-18ºC. Uit onderzoek aan fossiele kevers blijkt dat die zelfs gaandeweg nog een beetje hoger werd. Ook zijn de winters relatief zacht. De gemiddelde januaritemperatuur lag tussen -16 en +4ºC. In dit relatief warme klimaat konden zich weer bomen vestigen, eerst zachte berken en later ook Grove den. Doordat de gemiddelde temperatuur boven nul kwam verdween de permafrost langzaamaan. Zolang er permafrost in de bodem zit, kan het water moeilijk wegzakken wat gunstig was voor de Zachte berk. Wanneer de permafrost verdween en de afwatering verbeterde werd het droger en verdrong de Grove den de berken. Door het verdwijnen van de permafrost, verloor de Maas/Rijn ook zijn vlechtende karakter en werd het een intermediaire rivier, die het midden houdt tussen een meanderende en een vlechtende rivier. Het aantal rivierarmen nam sterk af en ze werden dieper. Het Wijchens Ven was zo’n rivierarm, waarschijnlijk relatief ver verwijderd van de hoofdstroom. Alleen bij hoog water, trad deze rivier nog uit zijn stroomgeulen en zet het rustige, over het land uitvloeiende water fijn sediment af: vlakbij de rivierarm in de buitenbocht was dat nog enigszins zandige zavel, maar verder weg, op de meest rustige plaatsen en in de binnenbocht van het Wijchens ven komklei. We kunnen dit mooi zien bij de bodems bij het Wijchens ven. Waarschijnlijk werd aan het einde van het stadiaal de tak van het Wijchens ven al afgesloten en liep de bedding van de Maas een stuk zuidelijker nog ten zuiden van de huidige Hatertse Vennen. Toch is de ijstijd hier niet mee niet ten einde. De kou keerde terug en er volgde opnieuw een koude periode: het Late Dryas
De koudeperiode: Late Dryas
De gemiddelde julitemperatuur zakte tijdens het late Dryas (12.900-11.700 BP) naar 10 tot 11ºC, terwijl de gemiddelde januaritemperatuur tussen -15 en -7º C lag. Die klimaatsverslechtering betekent een gemiddelde jaartemperatuur onder nul graden Celsius. Dat leidt tot vorming van permafrost in de bovenste bodemlaag en omdat water niet meer kan wegzakken leidt dat in het voorjaar in heuvelachtig gebied tot modderstromen die in de rivier uitkomen en dus tot meer sedimentatie. Hierdoor krijgt de rivier opnieuw een vlechtend karakter. Door het koudere klimaat gaat de Grove den achteruit, maar verdwijnt niet. Er ontstaat een mozaïek van struiktoendra, Kraaiheide.
Omdat de Rijntak in die tijd bijna uitgespeeld was, bleef de vlechtende Maas binnen de smallere bedding van het Het BöllingAlleröd interstadiaal, verbreedde hooguit wat aan de randen door oeverafkalving. De 11 km brede bedding werd lang niet meer gehaald. Het fijne materiaal dat eerder in het hoofdstroomdal was afgezet: klei, fijn zand en plaatselijk wellicht ook wat laagveen, wordt door het woeste water binnen die bedding losgewoeld en afgevoerd. Buiten die ruige, vlechtende bedding bleef de klei uit het Bölling-Alleröd interstadiaal gewoon liggen en bleef die klei gewoon begroeid. De Maas bevatte tijdens deze vlechtfase in de ijskoude winter geen water, maar in de zomer voerde de rivier grote hoeveelheden smeltwater af met veel sediment. In de winter en het voorjaar lag de bedding dus grotendeels droog en sterke westen en zuidwestenwinden bliezen het zand op, dat aan de oostkant en de noordoostkant van de rivier door de vegetatie op de komkleilaag ingevangen werd. Net als tegenwoordig speelde de begroeiing toen een cruciale rol bij het vastleggen van het zand en daarmee bij de duinvorming. Zo stoven aan de oostkant en noordoostkant van de Maas duinen op. Zo zijn de duincomplexen van de Hatertse vennen ontstaan.
Ten noorden van dat duinencomplex, waar de afgesneden geul, het tegenwoordige Wijchens Ven lag, bleef de klei de daar eerder afgezet dus aan de oppervlakte liggen, want het stuifzand was al eerder vastgelegd. In de loop van de tijd raakte die klei ontkalkt door de regen. Dat is niets bijzonders en gebeurt altijd na verloop van tijd. De koudeperiode die heerste in het Late Dryas had nog meer gevolgen.
Door de extreme kou in de winter, werd de klei ieder jaar opnieuw sterk gevriesdroogd. Daardoor veranderde de eigenschappen van de klei. Hierdoor kreeg de klei een zeer dichte, niet-elastische structuur met kleine en weinig poriën. Dit proces van ‘extreme rijping’ is irreversibel. Het geringe poriënvolume verklaart ook waarom de oude rivierklei droger en minder waterdoorlatend is dan jonge klei; de grond is zo compact dat er weinig ruimte is voor water. Regenwater kan minder snel weglopen in de bodem. Aan de andere kant zijn de kleine poriën een voordeel in tijden van droogte, want dan hebben zij juist een grotere capillaire werking dan grote poriën en treedt minder snel verdroging van het gewas op. De compactheid wordt nog extra versterkt doordat de glaciale bodems weinig organische stof bevatten.
Deze oude rivierklei is heel taai en moeilijk te bewerken en lijkt daarin meer op leem. In oudere literatuur wordt die klei ook aangeduid als leem. Het is een zeldzame kleisoort in Nederland. Dat komt omdat de meeste van deze klei bedolven is geraakt onder jongere kleipakketten. Dat heeft te maken dat het westen van Nederland daalt. Het oostelijk deel stijgt juist, waardoor de klei daar hoger komt te liggen op de zgn Maasterrassen. Het knikpunt ligt hij Heumen, en dat is zeer dichtbij het Bloemendal. Hierdoor ligt de oude rivierklei in de Staddijk nog op zijn dezelfde plaats als waar hij ontstaan is: aan de oppervlakte, vlakbij de grondwaterspiegel.
Holoceen (11.700 BP- heden)
Rond 11.700 jaar geleden veranderde het klimaat en kwam de ijstijd definitief ten einde. Eerst zien we weer berkenbossen verschijnen, gevolgd door dennenbossen, die daarna weer plaats maken voor loofbossen (ca 9.000 jaar geleden). Het Wijchens ven groeit dicht met veen: eerst laagveen en later hoogveen. Op oude kaarten staat het vermeld als Wijchens Veen. De mens heeft het Wijchens ven later ontveend en het veen gebruikt als brandstof. Ook de omgeving ervan is vochtig. Lange tijd was het moeilijk het gebied te ontwateren. Dat gebeurde door een geulenstelsel aan te leggen voorzien van sluizen. Zo konden compartimenten na het openen van een sluis snel ontwateren. Het gebied rond het Wijchens ven was pas laat aan de beurt, waardoor het gebied tot laat in het seizoen nat bleef. De moeilijk te bewerken oude kleigrond in de omgeving was in gebruik als nat, schraal hooiland. Een groot deel van het gebied was overigens helemaal nog niet ontgonnen. Hier groeide broekbos. Pas in 1917 werd begonnen met de bouw van een stoomgemaal bij Appeltern in de Blauwewetering, waardoor de afwatering versnelde en ook de gebieden rond het Wijchens ven vlotter afwaterden. Pas toen werd het mogelijk de broekbossen te ontginnen en werd het mogelijk de hooilanden om te zetten in productievere weilanden.
Het perceel van Bloemendal is tenminste de laatste 200 jaar grasland geweest. Dat wil niet per se zeggen dat het toen nog een mooi, schraal hooiland was, want tijdens die tweehonderd jaar heeft er een landbouwrevolutie plaatsgevonden. De blauwgraslanden bij het Wijchens Ven zijn door ontwatering en bemesting sterk aangetast en grotendeels zelfs verdwenen.

Er was niet veel meer over van de natte, schrale graslanden van weleer, maar de restanten gaven wel aan dat ze er geweest waren. Het is goed mogelijk dat op de percelen waar nu Bloemendal ligt ook nog dergelijke restanten over waren. In dat geval waren er zeker nog kiemkrachtige zaden aanwezig in de zaadbank van soorten die niet veel eerder verdwenen waren. Wel is het gebied bij de inrichting van het park helemaal op de schop gegaan. Er zijn waterpartijen gegraven die de vlechtende rivieren van weleer symboliseerden, er zijn dijkjes aangelegd voor fiets- en wandelpaden. Ook midden in het Bloemendal is een greppel gegraven, waardoor het perceel in tweeën is gedeeld. In de oostelijke helft is grond weggegraven. Daarbij is plaatselijk de oude kleibodem verdwenen en het onder liggende zand tevoorschijn gekomen. In het westelijke perceel is naast een verlaging een heuveltje van klei opgeworpen of niet vergraven. Door de graafwerkzaamheden is onbedoeld de voedselrijke toplaag van het perceel gehaald wat gunstig was voor het herstel van natuur.
Het terrein kenmerkt zich door een groot aantal gradiënten: o.a. van droog naar nat en van voedselarm naar voedselrijk. De vegetatie heeft zich hieraan aangepast. Met name op de voedselarme delen van het terrein die zowel nat als droog kunnen zijn groeien momenteel zeldzame plantensoorten. Deze, merendeels laagblijvende, weinig concurrentiekrachtige soorten kunnen zich handhaven doordat de biomassaproductie er erg laag is als gevolg van een lage beschikbaarheid van voedingsstoffen.
Op de schrale, natte ondergrond konden daardoor soorten van schrale omstandigheden kiemen en keerde een flink deel van de
voorheen mogelijk verloren soorten terug. Waarschijnlijk zijn ook enkele soorten door mensen teruggebracht. Dat geldt waarschijnlijk voor oa Vetblad en Kievitsbloem. Op de ietwat droge, zandige delen ging Struikheide en Stekelbrem. Doordat het terrein regelmatig gemaaid werd, kon de vegetatie zich handhaven en zelfs verbeteren. Zo is een prachtig natuurgebiedje ontstaan met onwaarschijnlijk veel plantensoorten. De aantallen gevonden soorten op zo’n klein oppervlak is enorm. In 2012 vond Gerard Dirkse 145 soorten waaronder ook een aantal zeldzame soorten, meestal soorten die hoge eisen stellen aan hun omgeving is groot.
Afgraven van de bodem tijdens de inrichting leidt ook tot opslag van struiken en bomen op de kale bodem, zoals Wilg, Zachte berk en Zwarte els. Wanneer dan geen maairegime gehanteerd wordt, krijgt die opslag snel de overhand. Maar ook als het maairegime niet strikt jaarlijks wordt uitgevoerd krijgen bomen en struiken de overhand. Uiteindelijk kan dat ertoe leiden dat veel lichtminnende schraallandsoorten in de problemen komen en verdwijnen. Opslag van struiken en bomen dient dus systematisch en met vaste regelmaat aangepakt te worden.
3. Beheer
Uitdrukkelijk dient gesteld te worden dat zonder inzet van vrijwilligers een beheer op maat niet mogelijk is. De werkgroep Praktisch natuurbeheer is dan ook regelmatig in Bloemendal actief, in samenwerking met de gemeente.
Herstelbeheer
- Enkele jaren geleden is in de zuidoosthoek van het terreintje wat bos gekapt: ca. 0,36 ha. Hier is veel opslag van braam opgekomen. Dit deel van het terrein kan momenteel niet worden gemaaid omdat er nog grote boomstroken staan. Deze dienen eerst weggefreesd te worden.
- Na dit eenmalige herstelbeheer wordt dit terreindeel gemaaid (wat niet meevalt vanwege de braamopslag).
Ontwikkelingsbeheer
- Dit terreindeel dient daarna flink nabegraasd te worden met schapen; bijvoorbeeld door er een nachtvak van te maken, dan wordt de braam door die extreme drukbegrazing sterk afgevreten.
- Wanneer de braam op deze wijze enkele jaren door extra druk onder de duim gehouden wordt en de groeikracht verdwijnt, kan ook dat deel onder het reguliere maaibeheer met nabegrazingsronde meegenomen worden. Voordeel van dit gecombineerde beheer is dat er in Staddijk toch al een kudde schapen graast in een groot deel van het jaar en dit perceeltje makkelijk meegenomen kan worden.
Instandhoudingsbeheer
- De combinatie maaien en afvoeren en nabegrazing met schapen is waarschijnlijk voldoende om de opslag terug te dringen en de nu aanwezige plantensoorten te behouden. Wanneer dat onverhoopt niet voldoende werkt, kan ook nog heel vroeg in het seizoen, nog voordat de orchideeën uitgroeien, begin april nog een korte begrazingsronde plaatsvinden als de boompjes net uitlopen. Het precieze tijdstip luistert wel heel nauw: de struikjes moeten net uitgelopen zijn, maar de orchideeën nog niet, maar in eerste instantie is maaien omstreeks half augustus/begin september, gevolgd door nabegrazing met schapen half oktober een goede beheeroptie.